13-08-18_087Daar zit iets zeer wisselvalligs in het houden van bijen, maar daardoor zit er spanning in. Het is winnen of verliezen. Het is spel. Maar het is niet enkel spel. Er kan wat aan gedaan worden. Er kan aan gewerkt worden. Dit is het wat het kansspel maakt tot een sport.

13-08-18_061Er zal wel aan gewerkt moèten worden in de tegenwoordige tijd. De tijden van het Europese oerwoud zijn voorbij.   Een jager moet zijn jacht immers ook verzorgen. Deed hij het niet, dan zou er spoedig niets meer te bejagen zijn. Hij moet daarbij oordeelkundig te werk gaan. Hij moet rekening houden met de levensgewoonten van het wild. Op dezelfde manier moet de bijenhouder de levensgewoonten kennen van de bij, wil hij met verstand van zaken te werk gaan en met succes kunnen ingrijpen, opdat er ook voor hem wat te halen is.

Het zijn van die eenvoudige dingen. Den leek klinken ze misschien als een wonder in de oren, maar de man van het vak is er volkomen mee vertrouwd. Hij weet om te beginnen, dat een bij op zichzelf niet kan bestaan, geen zelfstandig leven leiden kan; dat alleen een bijenvolk in z’n geheel, met de altijd wisselende schare van verschillende wezens, van verschillend geslacht, van verschillende leeftijd en met verschillende functies, niet alleen naar het geslacht, maar ook naar de leeftijd, in leven blijven kan, een bestaanseenheid vormt. Het is een steeds wisselende schaar, wisselend naar de jaargetijden, maar niet zo maar, willekeurig samengevoegd, integendeel, samengegroeid, een organisch geheel vormend, zodanig, dat niet alleen het ene geslacht, maar ook de ene generatie de andere nodig heeft, over en weer, ook als ze volwassen is. Een koningin is altijd nodig, darren slechts een tijdlang, maar een bepaalde omvang van het broednest veronderstelt altijd een overeenkomstig aantal voedsterbijen en deze samen veronderstellen weer een overeenkomstig aantal haalbijen.

De bijenhouder weet, dat hij deze verho13-08-18_02413-08-18_087uding niet verstoren mag. Toch zou hij ze graag verstoren. Hij heeft veel haalbijen nodig, naar verhouding veel meer haalbijen, dan voedsterbijen. Maar het een sluit het ander uit: veel haalbijen veronderstellen veel voedsterbijen. Het volk wordt dan te rijk aan jonge bijen. Dit geeft zwermen en de kans op winst is verkeken. En nu is het een kunststuk ervoor te zorgen, dat zo’n volk toch z’n bijen houdt, een eenheid blijft, liefst niet zwermen gaat. Vele kunstgrepen worden hiervoor aanbevolen, de ene nog listiger bedacht dan de andere, helaas vaak ingaand tegen de natuur van de bij. Het veiligst gaat hij, die het gooit over een andere boeg, zorgt dat hij volken heeft, die hoewel volkrijk, al is het niet overvolkrijk, toch niet zwermen gaan, zelfverzorgers, zoals men ze noemt, zwermtrage volken, zoals men ze ook wel noemt, beter zou men zeggen zwermtrage koninginnen.

Want dit mag de bijenhouder nooit uit het oog verliezen, dat de koningin eigenlijk het volk betekent. Het is niet genoeg, dat men een bijenvolk als een organisch geheel, als een bestaanseenheid heeft leren zien, dat men het weet te vergelijken met een staat met een koningin aan het hoofd of met een familie onder moederrecht of dat men een bijenvolk kortweg een bij weet te noemen – men moet niet langer van bijen spreken, slechts van koninginnen. Want op de koningin alleen komt het aan. Haar eigenschappen draagt ze over op haar zonen en op haar dochteren, de goede en de slechte. Zeg liever de gewenste en de ongewenste – haar zwermlust en haar zwermtraagheid. Men bereikt dit slechts door selectie. Men komt er niet zonder rationele koninginneteelt.

Maar niet alleen, dat men een bijenvolk als een eenheid moet zien, ook de ratenbouw hoort erbij. Men kan zich een bijenvolk eigenlijk niet zonder denken. Vaste banden verbinden het bijenvolk met de ratenbouw en met de woning, waarin het gehuisvest is. Harmonisch besloten in de raten, bolvormig, met een stuifmeelkrans rondom en nog een honingkrans daaromheen. De honing, die niet nodig is voor direct gebruik, wordt naar boven en naar achter opgeborgen voor de winter. Het broednest met de werkbijencellen wordt naar beneden en naar voren gedrongen in de richting van de vliegopening. De darrencellen nemen een aparte plaats in, onder aan de vierde of de derde raten uit het midden. Het zijn de laatste cellen, die gebouwd werden, gewoonlijk reeds het vorige jaar, toen de zwerm werd opgezet en de koningin belegt ze, wanneer ze kringvormig voortwerkend, daaraan toegekomen is. Vast en zeker volgen dan de koninginnecellen.

De bijenhouder zal dit willen verhinderen. Hij kan het alleen voorkomen door ook de bouw van darrencellen te verhinderen. Darren in een volk wil zeggen, dat het volk naar het zwermen toe gaat. Dit werd mogelijk sedert de losse bouw en de kunstmatige middelwanden, de zogenaamde kunstraat, werd uitgevonden. Hij geeft zijn bijen middelwanden, die slechts met indrukken van werkbijencellen bezet zijn. Maar dit gaat in tegen de natuur van de bij. De bijenhouder heeft er nog voor te zorgen, dat ze ook goed worden uitgebouwd. Wee hem, wanneer ze niet “schoon” worden uitgebouwd, d.w.z. regelmatig enkel met werkbijencellen bezet. Een zwermtrage koningin zal hem dan niet helpen. Hij heeft den duivel in huis gehaald, liever nog, het huis heeft den duivel binnengehaald.

Want ook op het huis, op de woning komt het aan. De bijenhouder heeft rekening te houden met de capaciteit van het volk. De ruimte van de woning moet bij het volk aangepast zijn. Hij heeft rekening te houden met het moment of liever de momenten, waarop ruimte gegeven kan worden, nieuwe middelwanden moeten worden toegediend. Het was lang een moeilijk probleem, totdat de bouw van de bijenwoning in étages uitkomst bracht. Zo kan hij ten allen tijde een woning samenstellen berekend op de capaciteit van elk volk, de delen los van elkaar en onderling verwisselbaar. Hij hoeft nu alleen maar te weten, waartoe deze bouw in étages dient, niet te vergeten, dat hij goed op de hoogte is van de drachtbronnen in zijn streek, om met succes te kunnen ingrijpen.

Want ook de bijenweide hoort er bij. Ook deze moet begrepen worden in de eenheid van het bijenvolk. Wat daar besloten ligt in de bijenwoning, de ratenbouw met het broed en de bijen er op, voedsterbijen en haalbijen, het is alles koolhydraten en eiwit, gehaald uit de bijenweide. De bijenweide is het eerst nodige. Er moet voor gezorgd worden, dat die er is, zal men met succes bijen houden. Maar hier demonstreert zich eerst recht de afhankelijkheid van den bijenhouder. Hij is met zijn bijen aangewezen op wat toevallig aanwezig is. Dat valt meestal nogal mee. De natuur zorgt goed voor haar Schepselen. Maar er zijn grenzen. Hij moet niet te veel willen, zorgen, dat het aantal van zijn volken aangepast is aan de capaciteit van de bijenweide.

Wil hij uitbreiden, dan moet hij er op uit, gaan reizen met zijn bijen, achter de dracht aan. Hij moet zijn bijen brengen waar voldoende te halen is. Alleen dan is er kans, dat er voor hem wat te halen is.

Ja, maar slechts een kans. Hij kent de levensgewoonten van de bij. Hij is zorgzaam genoeg geweest en berekenend.

Hij heeft de harmonie van het bijenvolk niet verstoord. Hij heeft alles goed uitgedacht en op tijd ingegrepen – maar bijen zijn wild. Bijen weten nog even goed zichzelf te redden, als voor zoveel tienduizenden van jaren, toen ze voor het eerst opdoken binnen de gezichtskring van den mens. Bijen ontsnappen graag aan alle controle. Ze doen het vaak genoeg. En dan zijn er nog de elementen. De kans is groot, dat er voor den bijenhouder niets overschiet. Maar dat hoort er bij. Zonder dat en de bekoring van het onverwachte zou weg zijn. Het zou geen spel meer zijn.

Bijenhouden zonder meer is spel. Bijenhouden volgens de regelen der kunst is een sport. Men kan er ook een bedrijf van maken. Maar dit verandert niets aan het karakter van sport – elke sport kent haar professionals.

Tekst van Dr. M. BRUIJEL, Haarlem